Zondagavond 1 augustus 

  

HC Zondag 36:

Vraag 99: Wat wil het derde gebod?

Antwoord: Dat wij niet alleen met vloeken of met valsen eed, maar ook met onnodig zweren, den Naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij den heiligen Naam Gods anders niet dan met vreze en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.

 

Vraag 100: Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Antwoord: Ja gewisselijk; want er is geen groter zonde, noch die God meer vertoornt, dan de lastering Zijns Naams; waarom Hij die ook met den dood te straffen bevolen heeft.

 

Liturgie:

Psalm 33: 1, 2

Psalm 33: 11

Lezen: Jozua 7: 1-15

Psalm 72: 6, 7, 8

Psalm 25: 5, 6

Psalm 72: 10, 11

 

Thema: De Naam van de Heere:

1. Misbruiken

2. Gebruiken

 

Leestips:

Leviticus 24: 10-23 (godslastering)

Jozua 7: 1-15 (gebed van Jozua; gebruik van de Naam)

1 Samuel 17: 23-einde (vloekende Goliath)

 

Citaat:

‘De namen van God zijn dan eigenlijk niet anders, dan klare vertoningen en uitdrukkingen van Gods heilige en volmaakte deugden, die Hij bezit in en van zichzelf en die Zijn natuur oneindig groot en heerlijk maken’. Th. Van der Groe, Heidelberger Catechismus.

 

Belijdenis:

Het derde gebod eist dat we heilig en eerbiedig spreken over Gods namen, titels, eigenschappen, inzettingen, Woord en werken. Kleine Westminister Catechismus, Vraag en antwoord 54.

 

Gespreksvragen:

1. In de hierboven aangehaalde Westminster Catechismus wordt in het antwoord verwezen naar enkele bijbelteksten. Zoek er eens enkele op: Mattheus 6: 9 (Gods Naam), Psalm 69: 5 (Gods titels), Maleachi 1: 11, 14 (Gods eigenschappen), Psalm 138: 1-2 (Gods inzettingen) en Job 36: 24 (Gods werken).

2. We kunnen de Namen van God zo gemakkelijk misbruiken door ze als stopwoorden te gebruiken. Leg dat eens uit.

3. Wat vraagt iemand die vloekt aan de Heere? En hoe komt het dat dit ‘gebed’ niet meteen wordt verhoord?

4. Simon Petrus vloekte in de zaal van Kajafas. Wat deed de Heere Jezus tegelijkertijd voor hem? Wat kunnen we hiervan leren?

5. Hoe moeten wij omgaan met mensen die we horen vloeken?

6. Leg uit dat zowel Mozes als Jozua hebben geleerd Gods Naam op een eerbiedige en doeltreffende wijze te gebruiken in hun gebed.

7. Leg uit waarom in de Namen Heere, Jezus, Christus zowel over God wordt gezegd dat we dat alleen mogen doen met grote eerbied en met verwachting.

 

Gespreksvragen voor de kinderen:

1. De Naam van de Heere zegt iets over wie de ………………. is. Wat moet op de stippellijn staan?

2. Wie zomaar de naam van de Heere gebruikt (je zegt ‘God’ net zoals je ‘auw’ kunt zeggen) die ……………. de Heere. Op de stippellijn moet staan: a) dient, b) beledigt.

3. Wie vroeger in Israel de Heere vloekte moest: a) een boete betalen, b) een tijdje in de gevangenis, c) gedood worden.

4. De Naam van de Heere mag je wel gebruiken als je het maar heel e……………….. doet.

 

Implemented by GJdeBruijn