Zondagavond 27 november

  

Perikoop: Psalm 40: 1-4 1. Davids psalm, voor den opperzangmeester. 2. Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord. 3. En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt. 4. En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.

 

Tekst: Psalm 40: 4a En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode.

 

Thema: De lofzang geboren

1. In een donkere nacht

2. In een roepen tot God

3. In verlossing door God

4. In een wandel met God

 

Liturgie:

Psalm 119: 3, 4

Psalm 119: 7

Lezen: Psalm 40

Psalm 40: 1, 2

Lezen: deel van het formulier

Psalm 32: 1

Psalm 119: 34, 36

Psalm 116: 4, 5

 

Leestip:

Psalm 116 (drie stukken beleefd)

Psalm 130 (idem)

Lukas 8: 40-56 (bloedvloeiende vrouw)

 

Citaat: “Hij is meer bereid u te horen, dan u om te vragen. De Rotssteen is reeds gelegd. Christus is gestorven, en u wordt heden uitgenodigd Zijn gerechtigheid aan te nemen. Als u in Christus bent, zult u iedere dag meer een nieuw schepsel worden; als u een nieuw schepsel bent, zult u een nieuw loflied zingen, Hem ter eer, die ons lief heeft gehad”. R.M. McCheyne.

 

Geloofsbelijdenis: HC Zondag 1, vraag en antwoord 2:

Vraag: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?

Antwoord: Drie stukken.

Ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn.

Ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde.

En ten derde, hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.

 

   

Afbeelding: een cistern in Israël. Mogelijk denkt David aan zo’n ‘ruisende kuil’.

 

Gespreksvragen:

1. Het danklied van David is geboren in de nood, in het roepen tot God, in de verlossing door God en tijdens de wandel met God. Waarom niet ná dit alles maar ín dit alles?

2. Voor het omschrijven van de nood geeft David het beeld van een ruisende kuil. Wat is dat?

3. In het roepen tot God heeft David verwachting van God. Waarom? Leg dat eens naast hetgeen Jakobus schrijft over het nut van de beproeving (Jakobus 1: 2, 3).

4. Hoe verlost de Heere een zondaar die tot Hem roept om genade en vergeving?

5. Vers 4b eindigt met verwachting: ‘velen zullen het zien en vrezen, en op den HEERE vertrouwen’. Mag u al behoren tot die ‘velen’? En mag u DV zondag deelnemen aan het Heilig Avondmaal?

 

Voor de kinderen:

1. Wie schreef Psalm 40? Antwoord: ………………….

2. David vergelijkt zijn nood met een diepe kuil. Kijk maar eens goed naar het plaatje dan zie je hoe diep zo’n kuil was.

3. David had verwachting van de Heere. Wat is dat ‘verwachting hebben’? Antwoord: dan geloof je dat de Heere je zal helpen, omdat……………………. (vul maar in).

 

 

 

Implemented by GJdeBruijn